Anna Steenkamp Gedenkskrif

Anna Elisabeth was die oudste kind van François Retief, (die oudste broer van Piet Retief) en Martha Elizabeth Joubert. Anna Elisabeth is in Franschhoek, Kaapkolonie gebore. Sy is op 5 Februarie 1797 gedoop en was 46 jaar oud tydens die opstel van hierdie gedenkskrif. 

Toe sy gedurende Mei 1837, ses maande na haar vader uit die Kaapkolonie vertrek, was sy al geruime tyd met Dewald Johann Hattingh, 'n sieklike man getroud gewees. Hattingh is op 23 Julie 1838 by die Tugela oorlede. Anna is hierna met Thomas Eugenaar Steenecamp getroud. 

Sy is gedurende 1891 op die plaas Groenvlei distrik Lindley oorlede.

Gedenkskrif

Dit gedenkschrift is gemaakt voor mijn familie, kinderen en kindskinderen, tans nog in de binnelanden woonachtig, opdat zij mogen weten waarom hunne ouders en grootouders hun moederland hebben verlaten en welke angst en benauwdheid, pijn en smart, honger en kommer, zowel van vijanden als van vuur ons getroffen hebben, en oorzaak waren van veel droevig zuchten en bittere tranen, hoewel we geleid en beschermd werden door onze getrouwe God en Vader in deze zware omstandigheden.

De redenen waarom wij onze erven en plaatsen, goed en bloed, verlaten hebben, zijn de volgende:

  • De onophoudelike stroperijen en diefstallen der kaffers
    • en de overheersing en trotse behandeling van hen; en ofschoon ons Goevernement schone beloften aan ons gedaan heeft, hebben we nochtans geen kompensatie voor onze geroofde goederen ontvangen.
  • De schandelike en onrechtvaardige handelwijze met betrekking tot de vrijheid onzer slaven, en nochtans heeft die vrijheid ons niet zozeer verdreven als hunne gelijkstelling met de Kristenen, strijdig met de wetten van God en 't natuurlik onderscheid van afkomst en geloof, zodat het onverdragelik was voor elk fatsoenlik Kristen onder zulk 'n last te buigen, waarom we dan ook ons liever verwijderden, om des te beter ons geloof en de leer in zuiverheid te behouden.
  • Maar het is onnodig van deze geschillen hier iets meer aan te halen, bewust zijnde dat gij met al deze zaken bekend zijt; maar ik wil u liever verbalen, wat ons is wedervaren op onze uittocht.

Voor ons waren twee troepen mensen vertrokken. De eerste waren de Taljaards en Liebenbergs, waaronder de eerste droevige moord voorviel door de grote kafferkoning Selikatse. In die slag heeft Potgieter met 40 man ruim duizend kaffers verslagen, doch wij zelf waren niet in dat lager. De geruchten echter van deze moord waren oorzaak dat wij de Kolonie des te spoediger verlieten om onze medebroeders te hulp te snellen. De moord door Selikatse gepleegd, gebeurde op de 2e September 1836.

'n Andere troep onder G. M. Maritz als hoofd, alsmede mijn oude vader, Francois Retief, zijn op de 5e November 1836 uit de Kolonie vertrokken, en ik en mijn huisgezin moesten blijven omdat mijn man te ziek was; maar op de 5e Mei 1837 zijn wij ook uit de Kolonie vertrokken, alleen met onze kinderen, dienstboden en vier wagens. Ons vertrek van Zeekoerivier ging gepaard met vele zwarigheden, want ik had 'n zieke man en 'n ziek kind om voor te zorgen, en had zelve 'n zware verkoudheid. 't Moeilikste van alles was nog dat we dageliks ons kruit en lood onder de grond moesten verbergen en 's nachts met de wagen laten halen. De oorzaak hiervan was, dat we veel ammunitie hadden en het was belet daarmede te vertrekken.

Eindelik kwamen we met veel moeite en groot gevaar over de Oranjerivier, en daar offerde ik dankbaarheid aan God, omdat Hij ons tot dusverre geholpen had. Toen kwamen we tot ons ongeluk onder de Bastaards, welke ons zeer brutaal ontvingen, zeggende dat zij recht en last hadden ons alles te ontnemen en te ontroven, want die natie is reeds sedert lang bekend als de grootste rovers en kwaaddoeners op de wereld. Onze dienstboden verlieten ons, en de meisjes, alhoewel zwak en teder, waren genoodzaakt de wagens te drijven en te leiden, ja zelfs 't vee aan te jagen door al die onbeteugelde natiën. Ons gezelschap werd niet vermeerderd, we waren maar met vier wagens, doch bleven echter welgemoed, de hoop koesterende op betere dagen, onze harten vertroostende en op blijdere dagen hopende.

We moesten echter nog twee soorten van bastaards doortrekken, namelik de Korannas en Bosjesmans, met verlies van 'n gedeelte onzer paarden en beesten.

Met verheuging en blijdschap bereikten we Rietrivier, en daar vonden we 'n menigte mensen, die de eerste Kristenen waren, die we op onze lange tocht gezien hadden. Hier vertoefden we twintig dagen, uit oorzaak dat mijn man te ziek was om de reis verder voort te zetten; doch hij was nauweliks beter of we trokken voort met onze vier wagens. Toen kwamen we in 'n land, dor, zonder hout of mest, waar 't gras zo hoog stond dat we nauweliks de kinderen en 't vee konden vinden. Alhier hadden we ook bittere koude en zware regens.

Eindelik kwamen we bij de koning Marokko, en de kaffers kwamen ons bij honderden tegemoet, omsingelden onze twee wagens gelijk twee muren. Aan 't zendelingshuis, dat in 't midden van 's konings stad stond, verzuimden we 'n weinig, en de grote koning Moshesh met zijn dienaar en de klerk van Marokko kwamen om te zien of we apprenticen of slaven bij ons hadden, om ze ons te ontnemen.

Toen we Marokko verlaten hadden, hadden we zware omstandigheden door te staan, want we konden geen weg krijgen en dit was oorzaak dat wij herwaarts en derwaarts moesten zwerven en konden niemand krijgen om ons terecht te helpen of te onderrichten, doch zagen verlaten kralen en lagers en ons vee stierf in menigte. Boven dat alles waren we in 'n landstreek schaars van hout, doch vol van verlaten kralen en hier en daar hopen doodsbeenderen van de natiën door Selikatse vermoord en uitgeroeid. Hier was overvloedig wild van alle soorten.

Eindelik na vier maanden bereikten we Zandrivier, doch daar we geheel op de verkeerde weg waren, reed mijn zoon uit te paard om te zien of hij iemand krijgen kon om ons de weg te wijzen, en 't gelukte hem tot onze grootste blijdschap, op de 24e Augustus 1838, mensen te ontmoeten.

Op de 25e beviel ik van mijn laatste kind. Hierin bespeurde ik de waarheid van 's Heren Woord, dat wanneer de nood te hoogste gestegen is, Hij nabij is. We hadden nochtans 't voorste gezelschap niet gevonden, waarvan de heer Maritz 't hoofd was, noch mijn vader; doch drie dagen na de geboorte van mijn kind (op de 28e) vervolgde Kommandant Potgieter met de zijnen de reis, en toen kwamen we allen bij elkander.

't Was echter nog voor ons te moeilik om met zoveel mensen voort te reizen, daarom waren we verplicht, door 'n brandend veld te trekken, alwaar we in grote nood verkeerden, dat onze kinderen zouden verbranden. Van ons vee is 'n gedeelte verbrand en van anderen verbrandden gehele troepen.

Gedurende de reis trokken wij door 't land van twee soorten bastaards, de Korannas, Bosjesmannen, Marokko en Moshesh. Nu moesten we door 't grondgebied van de grote Massilikatzi, doch daar zijn kracht verbroken was door de heer Maritz hadden we niets van hem te vrezen.

Piet Retief sluit by die laer aan

Toen we de Sinkoejala achter ons hadden, ontmoetten we in de nabijheid van Drakensberg, de WelEd. heer Piet Retief, met de eerste landverhuizers, alsmede mijn oude vader Francois Retief en de eerw. heer Smit. Zulks verschaffe ons grote blijdschap, want nu hadden we in eerstgenoemde 'n persoon om onze bestaande wetten uit te voeren, en in laatstgenoemde 'n leraar om in Gods Woord te onderwijzen, de Doop en 't Heilig Avondmaal toe te dienen, zodat onze godsdienst bloeide. Elke Zondag en elke avond was er openbare godsdienstoefening, en dit maakte onze reis door de woestijn aangenaam, ziende dat de Heer ons niet verlaten had.

Retief se eerste besoek aan Dingane

De heer Maritz was met 'n gedeelte der landverhuizers vooruit gegaan, maar we vertrokken spoedig onder bevel van de heer Retief, tot op de grote Drakensberg, en vandaar vertrok de heer Retief met vijf man naar de koning Dingaan, om het land van hem te kopen of te ruilen, 'tgeen ook geschiedde.

Ook moet ik nu iets verhalen van Sinkoejala. Zolang we op Drakensberg vertoefden, werd Sinkoejala aan diefstal en roverij schuldig bevonden, want hij had zijn volk te paard en gewapend met geweren en gekleed naar Dingaan gezonden om beesten te stelen. We waren er niet mede bekend, maar toen de heer Retief bij de koning kwam, vroeg deze hem of hij niet bevreesd was om bij hem te komen, daar hij zijn beesten gestolen had.

De heer Retief antwoordde: "Neen, dat heb ik niet gedaan."

Toen zeide de koning: "Gij hebt op mijn volk geschoten, men zegt het zijn de Maloenko's (de witte mensen) die het gedaan hebben."

Nadat de heer Retief ziech verontschuldigd had, onthaalde Dingaan hem zeer vriendelik. Dit was slechts geveinsdheid, zoals ge zien zult uit hetgeen hierop volgt. De heer Retief vertrok naar de Baai. Toen hij van koning Dingaan vertrok, gaf deze hem twee kapiteins en enige van zijn volk mede, om te zien of er van zijn vee bij ons of bij Sinkoejala was. De heer Retief reed toen met de kaffers en een gedeelte van zijn manschappen naar Sinkoejala en vond de beesten bij hem en gaf dezelve af aan de twee kapiteins om ze aan de koning te overhandigen.

Met grote zwarigheid kwamen we de grote Drakensberg over en legerden ons voor de grote Toegela, waar de uitgewekenen onder de heer Maritz zich bij elkander verzamelden.

Toen besloot de raad, nadat de heer Retief de koning overtuigd had van bovengemelde roverijen, dat hij naar Dingaan moest gaan om van hem het land te verkrijgen, hetwelk ook geschiedde. Hij vertrok toen van ons met 63 man en drie kinderen, buiten de achterrijders.

Die moord op Piet Retief en sy makkers

Toen de heer Retief bij de koning kwam, gaf die hem, omdat hij de beesten bij Sinkoejala gevonden had, 't land van Toegela tot aan de Oemzimvoebo, volgens kontrakt, dat bij de vermoorde mensen gevonden werd, gewillig af om niet.

Nochtans bewijst al de vriendelikheid van Dingaan, dat hij voornemens was 'n wreed en schrikkelik moorddadig plan ten uitvoer te brengen, hetwelk hij ook op de 11e Februarie volvoerde door zijn tiranniek vermoorden van de heer Retief en 36 man, en op de 17e Februarie vielen de kaffers ons aan.

Die moorde by Blaauwkrans

O droevige, droevige nacht, waarin zóveel martelbloed vergoten werd, en 200 onnozele kinderen, 95 vrouwen en 33 mannen zijn gevallen, en in de ontzaglike eeuwigheid zijn gestort door de assagaaien van die bloeddorstige heidenen. Uitgezonderd onze dienstboden bedroeg 't getal over de 400 zielen. Ach, 't was bijna ondragelik voor vlees en bloed, om de volgende morgen 't schrikkelik toneel te aanschouwen. In 'n wagen vond men vijftig doden; het bloed vloeide van de naad van 't zeil tot op de onderste velling. Ach, hoe akelig was het al die doden en gekwetsten te aanschouwen!

De volgende dag vluchtten we met elkander naar 'n ander lager, tussen Toegela en Boesmansrivier, op Doornkop.

De moord geschiedde tussen Blauwkrans en Boesmansrivier.

Maritz se laer slaan die aanval af

De heer Maritz was aan Doornkop met de eerste landverhuizers. De kaffers kwamen met geweld aan bij dag, doch werden dapper door de heer Maritz aangevallen en verdreven en daar de Toegelarivier vol was en de kaffers er door moesten, werden er 'n menigte gedood, zodat het water der rivier zo rood werd als bloed.

Ik moet u, lieve kinderen, ook verhalen hoe 't kwam, dat de kaffers die nacht de moord zo gemakkelik konden plegen. 't Was door ongehoorzaarnheid en onvoorzichtjgheid; ook waren de meeste mensen op kommissie en anderen op de buffeljacht; ook waren er anderen op weg naar Drakensberg om hunne familieën er af te helpen; dus vonden de kaffers de vrouwen en kinderen om zo te zeggen alleen, gerust slapende.

De WelEd. heer Retief had ons gewaarschuwd aan Doornkop bij elkander te blijven totdat hij terug kwam, want hij was ongerust, ook had hij ons nader geschreven dat we niet van elkander zouden scheiden, maar de moeite welke we hadden met 't vee, had velen genoodzaakt met hunne gezinnen in kleine troepen langs de rivier af te wijken.

We waren allen gerust en tevreden. De heer Retief liet zijn vrouw aan Doornkop bij de heer Smit, en daar kwamen de kaffers niet.

Des anderen daags na onze aankomst alhier kwamen de gekwetsten, de vrouwen en kinderen die overgebleven waren, sommigen te voet, anderen te paard, en nog 'n gedeelte met wagens.

Onze Veldkommandant, de heer Piet Greijling, had ons lager goed voorzien en versterkt. Hij hernam ook ons vee van de kaffers, namelik onze schapen, maar onze beesten waren over de rivier en deze was vol.

De Kommandant liet de doden begraven en de gekwetsten verzorgen. Aan alle kanten zag men de tranen en hoorde men wenen, bij geplunderde wagens, met bloed geverfd, verscheurde tenten en bedden. Zwangere vrouwen en kleine kinderen moesten urenlang te voet lopen, dragende 't teken ener haastige vlucht. Ach! hoe afgemat en vermoeid waren die arme vrouwen en kinderen, en hoe akelig was 't ongeboren kinderen verscheurd te zien door de moorddadige kaffers! Toen de vrouwen bij ons kwamen, vielen zij op de knieën, en dankten God voor de verlossing uit de handen van de wrede tiran. In ons lager was niets anders dan geklag en geween. Elke dag moesten we de lijken der gekwetsten begraven. Dit zien van de goederen der vermoorden en de verschrikkelike omstandigheden kan mijn pen niet beschrijven.

Die Slag van Italeni

In April was ons lager aan Blauwkrans; daar kwam de Veldkommandant Pieter Uijs. Hij ging uit met 'n kommando en sneuvelde met 10 man op de 10e Mei. Onze verraders, Stubbs en Blanckenberg, zijn op dezelfde tijd toen ons kommando vertrok, ook uitgegaan naar de Baai om buit te maken; maar de kaffers vlogen op en vermoordden zeventien Engelsen, 'n menigte Natalse kaffers en ook Stubbs, en zo waren dan onze verraders in him eigen strik gevallen. Daarna verzamelde onze gehele macht zich aan Blauwkransrivier. Ach, mijn kinderen! om in zulk 'n groot lager van ongeveer 1,000 wagens te leven, is zwaar en zeer nadelig voor 't vee. In Juli vertrok ons lager tot aan Boesmansrivier. 

Hoort nu, mijn lieve kinderen! mijne droevige rampen. Op de 2e Februari overleed uwe geliefde jongste zuster. De 1e Februari werd de kommissie vermoord, waarbij mijn oom Retief met zijn twee zoons en nog andere bloedverwanten waren. De 17e geschiedde de grote moord. De 10e Mei sneuwelde de Veldkommandant P. Uijs met tien zijner manschappen. Op de 23e Juli stierf uw geliefde vader en nog vele anderen van onze naastbestaanden en bekenden. De laatste sterfgevallen zijn misschien veroorzaakt door de nattigheid van ons lager, want bijkans elke dag was er regen, en konden we geen schoenen dragen wegens de modder.

Die Slag by Veglaer

De 10e Augustus werden we weder door de kaffers aan Boesmansrivier aangevallen. Bij duizenden, zover het oog kon zien, strekten zich hunne benden uit. 't Was vreeslik te aanschouwen; hun getal kan ik niet beschrijven, want men zou denken dat 't ganse heidenrijk zich tezamen g'eschaard had om ons uit te roeien; maar dank en prijs zijn wij schuldig aan de Heer, die ons zo wonderdadig uit de handen onzer talloze en bloeddorstige vijanden heeft verlost en ons de overwinning schonk.

Hun voorste bende was gekleed, en had geweren van de vermoorden, die op ons storm liep en ons lager was door de anderen geheel omsingeld. Ons lager was groteliks verminderd, want 'n gedeelte was met Maritz aan de Toegela, en 'n ander gedeelte was vooruit naar Port Natal. Zo was onze sterkte slechts 2 Veldkommandanten en 2 Veldkornets met hunne manschappen. De namen der veldkommandanten en veldkornets zijn: Joachim Prinsloo, Jacobus Potgieter, Johannes du Plessis en Johannes de Lange. Van de manschappen van du Plessis waren er dertig bij ons vee op Drakensberg en ook 'n gedeelte van Prinsloo, zodat wij slechts weinig weerbare mannen in ons lager hadden en de heidenen ons licht konden doodtrappen, indien God zulks wilde gedogen. Nu moet gij denken, mijn lieve kinderen, in welke angst wij vrouwen verkeerden, toen wij de aanval des vijands zagen. 't Grootste deel der vrouwen bestond uit weduwen en wezen. Want we konden niet denken dat zo weinige mensen de overwinning zouden behalen, maar de Heer heeft ons gesterkt en de vijand verzwakt. De kaffers liepen op ons aan in 'n kring, tot bijna onder schot. Toen kwamen zij aan met punten, zodat onze mannen genoodzaakt waren achter elkander te lopen om de vijand weg te schieten, dan op de ene en dan op de andere hoek van ons lager. We hadden ons kanon zó gesteld, dat zij niet konden inbreken. De kaffers hielden ons twee dagen en twee nachten bezig, en schoten gedurig op ons, maar geen der onzen heeft enig letsel van hunne kogels ontvangen. En ziende dat 'n menigte der hunnen in de slag sneuweide, en dat zij 'n zware nederlaag kregen, vertrokken zij van ons met 'n gezang en hebben sarsies geschoten, zover we hen nog konden horen.

De tweede dag hebben onze mannen hen nagezet, om ons vee te heroveren, maar de paarden waren te min en ook te zwak en verhongerd in 't lager, zodat zij verplicht waren om terug te keren, en de vijand behield ons vee. Maar we dankten God eenparig voor 't behoud van ons leven, behalve met verlies van één man, die bij zijne schapen werd vermoord, en mijne getrouwe slavin, die uit 't lager was gevlucht.

Na deze gebeurtenis trokken we naar Toegela, omreden dat Maritz zijn manschappen de berg wilden laten uittrekken. We bleven echter 6 maanden bij elkander. Intussen is uw broeder, François Marthinus Hattingh, naar 't binneland vertrokken, om 'n kommando te verzamelen en ook paarden te krijgen, om ons vee de vijand te ontnemen, want er was hongersnood onder diegenen die door de vijand geruïneerd waren, doch we hebben elkander geholpen totdat we geheel van leeftocht ontbloot waren.

Andries Pretorius se aankoms

Ik ben ook weer hertrouwd met 'n onbekende man, 'n weduwnaar, genaamd Thomas Eugenaar Steenecamp. De heer Maritz is overleden, de heer Retief is vermoord, en de heer Uijs is gesneuveld. Al onze opperhoofden zijn omgebracht, en we waren als schapen zonder herder. Op de 10e November 1838 kwam mijn zoon aan met zijn oom, Andries W. J. Pretorius, die toen met algemene stemmen tot Hoofdkommandant werd benoemd.

Die Slae van Bloedrivier en die Wit-Umfolozi

Hij verzamelde toen 'n kommando en heeft tegen de kaffers gestreden. Door Gods zegen hebben de kaffers de nederlaag gekregen, waarin 'n menigte van hen gedood werden en vijf van de onzen sneuvelden. Na die slag vertrokken we in Januari 1839 van Toegela, tot hier te Pietermaritzburg.

Ik moet u verhalen wat mij wedervaren is op deze laatste reis : Op de 2e Januari vertrokken we, en op de 23e derzelfde maand werd mijn zoon, Francois Marthinus Hattingh, toen hij bij zijn vee was, door 'n zware donderslag gedood, in de ouderdom van 28 jaren en liet 'n weduwe en twee kinderen na om zijn verlies te betreuren. Ach! welk 'n harde slag was dat voor mij en de ganse familie - hij was door de dood weggerukt. Hij was 'n vreedzaam man, van alle mensen geacht en geëerbiedigd en door elk betreurd; doch de hand des Heren doet wat Hij wil en bij de dood is geen aanneming des persoons.

Die groot brand in die laer

Sedert we hier aankwamen, woonden we nog 'n geheel jaar in lager, en in 't laatste lager trof ons 'n droevig ongeluk : op de 7e Augustus 1839, des avonds om 9 uur, geraakte ons lager in brand, door 't aansteken van 'n kaars door 'n kleine meid, en sommigen waren reeds te bed toen 't vuur uitbrak, doch we waren nog bezig om onze kinderen te leren. Eensklaps kwam er 'n geroep van "kaffers!" en wij dachten niet anders dan dat onze vijanden het lager in brand hadden gestoken. Zodra 't eerste huis in vlam stond, geraakten ook al de andere huizen in brand. De lagers waren ruim voorzien van kruit en lood, want onze vader Steenecamp had alleen 'n vat kruit van 600 pond en ook de andere huizen waren vol kruit, zodat het zeer gevaarlik was in 't lager te blijven. Ik vluchtte met mijn twaalf kinderen de poort uit, daar ik bevreesd was voor 't vuur en de gewaande kaffers, tot in de eerste laagte, verder kon ik niet gaan. Daarna zijn de andere vrouwen mij gevolgd en wij bleven aldaar tot 't lager uitgebrand was. Toen kreeg ik bericht wie de personen waren die door 't vuur waren omgekomen, en ook vertelde men dat mijn man onder 't getal was; doch ik bekommerde mij weinig om die boodschap, omdat ik dacht dat 't onmogelik was dat een van allen in het leven zou worden gespaard. Ik had die nacht nog akelige gedachten, 't was eigenlik 'n voorbeeld van de dag des oordeels, want ik bracht mij de woorden van de Apostel Paulus tebinnen, die zegt: "De dag des Heeren zal komen als 'n dief in de nacht, in welke de hemelen en de aarde met 'n gedruis zullen voorbijgaan, eu de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken die daarin zijn zullen verbranden."

Het akeligste nog in die donkere nacht om te zien was toen 't kruit aan brand sloeg en de stukken der wagens rondom ons van alle kanten vlogen. Zodra 't gevaar voorbij was, begaven we ons weder naar 't lager om de gekwetsten te helpen en de doden te begraven. Toen 't eerste huis in brand raakte, waren er tien mannen om te blussen, en toen 't kruit in brand ging, werden er drie mensen gedood en de anderen zwaar gekwetst. Een negotie-wagen met veel kruit er op raakte ook in brand; twee mannen wilden dezelve redden, waardoor een zwaar gekwetst werd, en de andere leefde nog enige tijd. De kruitwagen was in 't midden van 't lager. Twee kinderen en twee kaffertjes waren in 't huis verbrand.

Des anderen daags vonden we negen doden en twaalf gekwetsten in de as liggen. De bitte was zó erg, dat we die avond de doden niet konden uithalen; 't was 'n gekook en gebraad, vier wagens, negen gezouten vette beesten, alsmede zeep, vet, zout, suiker, enz. waren verbrand, want we waren rijk en voorzien van alles. Dertien huizen zijn verbrand. We moesten de gehele nacht zonder bovenklederen en bedden bij 't vuur zitten. Sommige der vrouwen en moeders weenden, daar zij hun mannen en zoons door 't vuur zagen verbranden.

Wij arme vrouwen en kleine kinderen hadden met veel droevige tegenspoeden, door de koude en de vijand, te worstelen, als we des nachts onder de paarden lagen, maar bij zulk 'n groot vuur te blijven, waar zoveel mensen in verbranden, was nog harder, en de nacht was bitter koud.

In de morgen van de volgende dag hebben we de beenderen in 'n deken gebonden en in 'n gat begraven. Er waren drie Steenkamps, twee Potgieters, een (van) Deventer, twee kinderen en twee kaffers dood, en twee Steenkamps zwaar gewond, van welke mijn man een was, doch door Gods goedheid is hij weder hersteld. Hier nu kunt gij, lieve kinderen en vrienden, zien, met welke droeve onheilen ik te kampen had op mijn reis van een jaar en 8 maanden, v6or wij 'n huis of 'n scherm konden maken.

Kort na de brand werden we bezocht door de mazelen, waardoor vele sterfgevallen plaats hadden. Ik en mijn oude man hadden voor drie en veertig kinderen en kleinkinderen te zorgen, die bedlegerig waren en door ons moesten geholpen worden, zonder huis of tent, slechts in 'n wagen. Verscheiden dagen was ik zó zwak door de vermoeienissen, dat 't voor mij bijna ondragelik was, maar Gode zij gedankt, die mij naar 't lichaam heeft gesterkt om de lasten die Hij ons opgelegd had te torsen; zo heb ik dan aan mijn verplichtingen kunnen voldoen.

Omtrent twee jaren daarna woonden we stil, rustig en in vrede met al de ons omringende natiën, zodat weer 'n ieder zijn leeftocht begon te verzamelen: want 't land is zeer vruchtbaar, zodat men wel levensmiddelen hebben kon, indien niet bezocht door oorlogen of andere onheilen.

Aanval deur die Britte

Maar tot ons leed en onze droefheid werd de vrede weer verstoord, en al onze dromen van voorspoed en geluk verdwenen; want op de 6e Mei van 't jaar 1842 kwam Kapt. Smith in de baai van Port Natal, en de 25e derzelver maand viel hij ons aan. Hij kwam langs de oever der zee met stukken kabeltouw om de assen zijner kanonwagens gedraaid.

Ook hier wil ik u, mijn lievelingen! laten zien hoe de Heer onze mannen aanmerkelik geholpen heeft, want ondanks al 't verraad in die oorlog gepleegd, en al 't grof geschut tegen ons gebruikt, vielen er slechts vijf man, en twee mannen werden door de kaffers vermoord. Vrouwen en kinderen werden naakt door de kaffers uitgetrokken en moesten in die toestand vluchten. Erven en plaatsen werden door de heidenen verwoest en weder veel vee ons door de kaffers ontnomen, zodat wij door 't onophoudelik stelen der kaffers andermaal in armoede vervielen.

Op 15 Juli kwam de eerste Cloete te Maritzburg aan, en maakte toen vrede met elf personen en bestemde die dag te vieren als 'n feestdag van geluk voor ons en onze kinderen.

Op de 9e Mei 1843 kwam de tweede Cloete hier aan, en heeft 't geluk gegeven dat de verdiende en gekochte grond ons is ontzegd. Dat is de vergenoeging aan ons beloofd!

Maar, mijn lieve kinderen en vrienden, ik moet u tot slot melden dat indien alles in zulk 'n treurige toestand blijft als 't reeds is, wij dan geheel geruïneerd zullen worden en 't is mogelik dat gij na enige maanden zeer weinige van uw geslacht te Port Natal zult aantreffen, want we zijn geheel verarmd en willen nu landwaarts intrekken, indien God ons gezondheid en Zijn zegen schenkt.

Uw liefhebbende moeder en
Grootmoeder,
ANNA ELIZABETH STEENECAMP,
geboren RETIEF.

Die Gelofte

"Hier staan ons voor die heilige GOD van hemel en aarde om 'n gelofte aan Hom te doen dat as Hy ons sal beskerm en ons vyand in ons hand sal gee, ons die dag en datum elke jaar as 'n dankdag soos 'n sabbat sal deurbring, en dat ons 'n huis tot sy eer sal oprig waar dit Hom behaag, en dat ons ook aan ons kinders sal sê dat hulle met ons daarin moet deel tot nagedagtenis ook vir die opkomende geslagte want die eer van Sy naam sal verheerlik word deur die roem en die eer van oorwinning aan hom te gee."

Betaal die Geloftes

Betaal die Geloftes - 'n wekroep vanuit die verlede - 'n fees die geskikste monument.

Klik hier.

Soli Deo Gloria

Soli Deo Gloria is die Latyn vir "Alleen aan God die eer." 

Lees meer hier.